Aflevering 02: Over heren, boeren en de schapen


Rond het jaar 1000 wonen hier de eerste boeren: families die op kleine akkers een boerenbedrijfje uitoefenen. De grond is niet van henzelf, maar behoort aan de kerk en de bisschop van Utrecht is de baas. De mensen vormen kleine gemeenschappen, nederzettingen die namen krijgen en worden geregistreerd, in ieder geval als er een kerk staat en dus van een ‘parochie’ sprake is. Zo beheert de bisschop onder meer Thornheim en Seist, maar ook UUerken, Iodichem en Bunnichem (later vertaald in Doorn, Zeist, Werkhoven, Odijk en Bunnik) Dat betekent niet dat er verder geen nederzettingen  zijn. Alleen hebben die geen kerk en daarom ook moeten de bewoners ter kerke in andere ‘dorpen’.  Thribergen  (de naam komt voor het eerst in 1159 in een akte voor) was in die tijd wellicht zo’n nederzetting zonder kerk.
De ‘boeren’ uit die tijd zijn geen vrije burgers. Ze zijn in dienst van (of soms zelfs eigendom van) de grondbezitter. Ze zijn horigen of lijfeigenen, of zelfs slaven. De opbrengst van de grond is, na de betaling van de tienden aan de kerk en na het inleveren van de belasting-in-natura, net genoeg om van te leven. De akkers worden zoveel mogelijk aan de voet van het ‘heuvelrug’ aangelegd. Er ontstaan langzamerhand hele akkerbouwcomplexen die men ‘engen’ noemt. (De naam Engweg komt daar vandaan).

Het is een hard bestaan: er zijn heel wat kunstgrepen nodig om van de schrale akkerbouwgrond een goede opbrengst te krijgen. Eén van die kunstgrepen is een grote productie mest, te leveren door het vee. Ze gebruiken er voornamelijk schapen voor. Die worden elke dag naar de hoger gelegen onontgonnen terreinen gedreven en keren ’s avonds terug in de schaapskooien bij de nederzettingen. Die kooien worden primitieve mestfabrieken: de schapenmest wordt in die kooien verzameld en daar vermengd met heideplaggen en bosgrond. Door de dieren er zelf op te laten slapen (broei door warmte) en er in te laten rondlopen (een eenvoudig roerproces) ontstaat mest van eerste kwaliteit. Maar er ontstaat ook nog iets anders:  een serie paden, van de akkers omhoog naar de heidevelden op de heuvel, platgetreden door de schapen. We kennen ze nog, die schapendriften. de Traay is er één van, en de Buntlaan.

Maar ook de andere wegen in ons dorp vinden hun oorsprong in die tijd. In de eerste plaats  is er de Via Regia , ‘koningsweg’ van Utrecht naar Duitsland die al ten tijde van de Romeinen werd gebruikt. Die loopt van Zeist voor een deel over de helling van de heuvelrug, via Doorn richting Leersum en Rhenen. Bewoners ter plekke noemen die weg  gewoon ‘bovenweg’, in tegenstelling tot de latere ‘benedenweg’, die de verbinding vormt tussen de nederzettingen. De route naar Duitsland over die ‘bovenweg’ werd eertijds naar alle waarschijnlijkheid gekozen omdat het er wat droger was en de grond ook in de herfst en winter te belopen was.
De ‘benedenweg’, in feite de kortste verbinding, ontstaat later, vanuit een voetpad dat middeleeuwse bewoners er vormen. Hun belangrijkste drijfveer voor een wandeling is de kerkgang. Driebergen bijvoorbeeld was geen kerkdorp en de bewoners van die nederzetting dienen dan ook in Zeist ter kerke te gaan. In de loop der eeuwen maken voetstappen en karrensporen een steeds breder pad, dat uiteindelijk de functie krijgt als belangrijkste verbindingsroute, vrijwel evenwijdig aan de ‘bovenweg’. En haaks op die twee paden ontstaan dus de schapenwegen, de driften waarlangs de schapen in de morgen omhoog en ‘s avonds terug naar hun kooien lopen. Dat alles vormt een patroon dat door de huizenbouwers in onze eeuwen in stand is gehouden en geperfectioneerd. Maar daar hebben de middeleeuwers geen weet van.
Comments